donderdag 24 mei 2012

‘Lager IQ vertraagt integratie allochtonen’






Hieronder als voorpublicatie een hoofdstuk uit mijn bij Uitgeverij Van Praag verschenen boek Het immigratietaboe. 10 wetenschappers over de feiten.

Voor dit boek voerde ik gesprekken met tien economen, demografen, sociologen, een psycholoog, juriste, en een cultureel antropoloog over de gevolgen van de immigratie in Nederland. Ik koos hen omdat ze eigenstandig onderzoek hebben gedaan. Concreet wetenschappelijk onderzoek wel te verstaan, geen beschouwingen en essays. Zo sprak ik met Hans Roodenburg, inmiddels gepensioneerd hoofdonderzoeker bij het CPB (en ook bekend als blogger bij De Dagelijkse Standaard), professor Joop Hartog, onderwijssocioloog Jaap Dronkers, socioloog Ruud Koopmans, cultureel antropoloog Hans Werdmölder en psycholoog Jan ten Nijenhuis. De meesten van hen kregen ieder op hun eigen manier last met de taboes die er om het onderwerp immigratie hangen. Soms kwam er geen geld voor onderzoek. Soms was er regelrechte tegenwerking. Soms werden er speciaal rapporten gemaakt om hun onderzoek onderuit te halen.

Maar het is vooral opvallend hoe weinig aandacht er in de media was voor hun werk.

De uitkomsten waar zij mee kwamen, hebben over het algemeen het maatschappelijk debat nauwelijks bereikt. Dat debat wordt beheerst door emoties. Hier gaat het om de feiten: lange termijn tendensen, uitkomsten uit grote databestanden.

Die feiten over de gevolgen van de immigratie doen ertoe omdat we, blijkt uit demografisch onderzoek, en uit de ontwikkelingen binnen de EU, aan de vooravond staan van nog veel meer immigratie dan we nu al achter de rug hebben.

De onderwerpen die in dit boek behandeld worden zijn o.a.: de mythe van de kennismigratie. Immigratie en het effect op de verzorgingstaat. De demografische ontwikkelingen in de wereld en de voorspelling ten aanzien van de immigratie in Nederland. De vraag hoe het komt dat moslims slechter integreren dan andere niet-westerse allochtonen. Het negatieve effect van etnische diversiteit in de schoolklas. De vergroting van de inkomensverschillen door immigratie. Hoe Europese regelgeving de beheersing van de immigratie onmogelijk maakt. Het netwerk van de internationale verdragen. Het taboe op de bevolkingspolitiek. De invloed van het politiek correcte denken op het onderzoek naar de biologische oorzaken van etnische verschillen. De werkelijke cijfers bij de criminaliteit. De invloed van de werkgevers en de tegenstand van de vakbonden.

Het immigratietaboe. 10 wetenschappers over de feiten is via deze link te bestellen. 



***

Voorpublicatie

De inherente traagheid van de integratie

Er bestaat nauwelijks langetermijnonderzoek over de integratie van immigranten. In Nederland al helemaal niet. In de VS werden immigranten een eeuw gevolgd. De integratie bleek zeer traag te verlopen. IQ-verschillen zullen de integratie verder vertragen. Ook het Nederlandse multiculturele beleid is een extra vertragende factor. Maar het tempo verschilt sterk per etnische groep. In de VS werd langetermijnonderzoek over de integratie van immigratie gedaan door George J. Borjas. Die analyseerde in Heaven’s Door het inhaaleffect van de eerste grote immigratiegolf in de VS, tussen 1880 en 1924. Hij kwam tot de conclusie dat de huidige immigranten in de VS er zeker een eeuw over zouden doen voor, generatie na generatie, het integratieproces voltooid zou zijn. (1)

Het ging, gaf Borjas aan, bij deze eerste grote immigratiegolf niet om de traditionele Amerikaanse immigranten, zoals Engelsen, Duitsers en Zweden, maar om Polen, Russen en Italianen. Aan de hand van IQ-testen voor het Amerikaanse leger (ingevoerd bij WO I) stelde hij vast dat het economisch potentieel van deze groep minder was dan van de eerdere immigranten.(2) Maar bij de huidige immigratiegolf in de VS is de kans op snelle integratie nog kleiner. Deze groep bestaat voor het grootste deel uit Mexicanen. (3)

Waarschijnlijk zullen de niet-westerse allochtonen in Europa er ook lang over doen om volledig te integreren. De onderwijssocioloog Jaap Dronkers deed onderzoek naar de maatschappijvisie van 14-jarigen in Europa. (4) Uit dat onderzoek blijkt: de niet-westerse allochtone 14-jarigen denken veel negatiever over het Westen dan de autochtone 14-jarigen. Ze hebben weinig vertrouwen in de overheid en staan negatief tegenover vrouwenrechten. Er is nauwelijks verschil tussen de eerste en de tweede generatie niet-westerse allochtonen. Uit ander onderzoek van Dronkers blijkt dat de integratie sneller gaat naarmate de ouders beter opgeleid zijn. (5) Niet-westerse allochtonen zijn gemiddeld lager opgeleid dan autochtonen. Daarom, stelt Dronkers, ‘lijkt er niet veel ruimte voor intergenerationale opwaartse mobiliteit van immigranten in Europa’. (6)

Datzelfde onderzoek van Dronkers brengt nog iets naar boven wat de integratie vertraagt. Bij de tweede generatie blijkt namelijk de culturele invloed van het land van herkomst niet afgenomen. Mogelijk komt dit door de zogeheten ‘transnationale netwerken’, die ontstaan met de immigratie. (7)

Naar het ontstaan en de betekenis van die transnationale netwerken is inmiddels het nodige onderzoek gedaan. Transnationale netwerken bevinden zich als het ware tussen het land van herkomst en het land van aankomst. Het is een eigentijds verschijnsel, mogelijk gemaakt door de communicatietechnologie en het goedkope en snelle reizen.

Ook de huwelijksmigratie vertraagt de integratie, stelt de socioloog Koopmans: ‘Als je een Turks of Marokkaans eerste-generatiegezin hebt waarvan de kinderen vervolgens weer trouwen met een partner uit het land van herkomst, dan hebben we weer een eerste generatie, en weer kinderen die opgroeien in een gezin waarin alleen maar Turks of Marokkaans gesproken wordt. Met een ouder die van toeten noch blazen weet als het gaat om de Nederlandse samenleving.’

Een andere indicatie dat de economische integratie waarschijnlijk traag zal verlopen, is het gemiddeld lage IQ van niet-westerse allochtonen. Psycholoog Te Nijenhuis: ‘We hebben hier al eeuwenlang groepen zigeuners. In Nederland ken ik daar geen IQ-onderzoek naar. Ik ken wel internationaal onderzoek. Zigeuners komen dan op een IQ van ongeveer 81 uit. Borjas had het over een immigratiegeschiedenis van honderd jaar, maar de zigeuners zijn hier al enkele eeuwen. En ze bevinden zich nog steeds in de marge van de maatschappij. Joden hebben een IQ van tussen de 110 en de 115. Een grote groep is eeuwen terug hiernaartoe gekomen. Dat zijn mensen die altijd maatschappelijk succesvol zijn geweest.

Op de korte termijn zie je duidelijke overeenkomsten tussen het gemiddelde IQ en maatschappelijk succes. Autochtone Nederlanders met een IQ van ongeveer 100. Niet-westerse allochtonen met een IQ van 85. Dan een paar kleine studies van Koreanen en Chinezen in Nederland, die heb ik destijds heel voorzichtig een IQ van 105 gegeven, maar dat zou eigenlijk nog wel wat hoger kunnen uitkomen. Misschien dat je dan op 110 zit. De groepen die qua IQ boven de autochtonen zitten, hebben geen moeite met de integratie. Die eronder wel.’

Door het Nederlandse integratiebeleid vertraagt de integratie. De socioloog Koopmans werd in 2003 als deskundige opgeroepen bij de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid, beter bekend als ‘de commissie-Blok’. Hij gaf met enkele voorbeelden de negatieve invloed van het Nederlandse integratiebeleid aan. In Nederland bijvoorbeeld, werkte slechts 45 procent van de allochtonen, tegenover 74 procent van de autochtonen. De enige Europese landen die qua verhoudingen slechter scoorden, waren België en Zweden, ook landen met een multicultureel gericht integratiebeleid. En in geen enkel Europees land raakten niet-westerse allochtonen zo vaak in de criminaliteit verzeild als in Nederland. (8)

Over het Nederlandse integratiebeleid schreef Koopmans in die periode een onderzoeksartikel. (9)  Ook hieruit blijken de negatieve effecten. Nederland doet het qua integratie aantoonbaar slechter dan Duitsland. Twee voorbeelden uit het artikel:

In Duitsland is het werkloosheidspercentage onder migranten bijna twee keer zo hoog als het nationaal gemiddelde en ongeveer even hoog als onder de Oost-Duitsers. In Nederland is de werkloosheid onder allochtonen al sinds jaar en dag vier keer zo hoog als onder autochtone Nederlanders.

En:

In 1998 verliet 19 procent van de buitenlandse scholieren in Duitsland het onderwijssysteem zonder diploma, in vergelijking met 8 procent van de Duitsers (…) Doomernik (…) laat zien dat dit percentage onder de autochtone Nederlanders met 8 procent gelijk was aan dat onder de Duitsers. Van de Turkse jongeren in Nederland verliet echter maar liefst 35 procent en van de Marokkanen 39 procent de school zonder diploma op zak. (10) 

Ook de etnische segregatie is in Nederland groter dan in Duitsland. De Berlijnse wijk Kreuzberg wordt ‘Klein-Istanbul’ genoemd, een vaak genoemd schoolvoorbeeld van segregatie, met in 2000 33 procent niet-westerse allochtonen. Maar stel daartegenover in Nederland woongebieden als Amsterdam Zuid-Oost met 67 procent allochtonen of Rotterdam Delfshaven met 69 procent allochtonen. De segregatie in Nederland neemt bovendien toe, blijkt uit een recent rapport van het SCP. (11) En dan de criminaliteit: in Duitsland bestond in 1997 27 procent van de gevangenispopulatie uit niet-westerse allochtonen, in Nederland was dat in 1998 maar liefst 53 procent.

In 2010 deed Ruud Koopmans een groot onderzoek naar de effecten van het integratiebeleid en de verzorgingsstaat op de integratie van niet-westerse allochtonen in acht verschillende Europese landen. (12) De uitkomst: aspecten die wijzen op verminderde integratie nemen toe naarmate de verzorgingsstaat hoger ontwikkeld is. Zoals de segregatie van allochtonen, werkloosheid, criminaliteit en onbekendheid met de taal van het land van aankomst. Maar ook naarmate er minder assimilerende verplichtingen zijn opgelegd en er meer rechten zonder plichten worden weggegeven. Met andere woorden: in hoogontwikkelde verzorgingsstaten met een multicultureel beleid loopt de integratie achter. In landen die een meer verplichtende assimilatiepolitiek voerden, zoals Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland of Frankrijk, of in landen met een laagontwikkelde verzorgingsstaat, gaat de integratie sneller.

Om de gevolgen van het Nederlandse integratiebeleid te schetsen, haalt Koopmans een affaire uit 2007 aan. Een gemeente wilde een vrouw geen uitkering geven omdat ze een boerka droeg en om die reden geen kans maakte op werk. De vrouw stapte naar de rechter en won. Voor het Nederlands rechtssyteem ging vrijheid van godsdienst boven deelname aan het arbeidsproces. Zo leidt, aldus Koopmans, multicultureel beleid tot sociaaleconomische marginalisering. Van alle Europese landen gaat Nederland het verst in dit multicultureel beleid.

De hoeveelheid sociale contacten van allochtonen met autochtonen verschilt sterk per Europees land. De Turken in Frankrijk onderhouden de meeste contacten met autochtone Fransen in privésituaties, de Duitse Turken meer met Duitsers op het werk. De Nederlandse Turken hebben het minst contact met autochtonen.

Die verschillen komen niet in de eerste plaats omdat de verzorgingsstaat in het ene land hoger ontwikkeld is dan in het andere land, constateert Koopmans. Hij houdt hierover een complex exposé.

Zeker, schrijft Koopmans, in sommige gevallen zie je dat het met een laagontwikkelde verzorgingsstaat beter gaat qua integratie dan in een hoogontwikkelde. In Groot-Brittannië, een land met een laagontwikkelde verzorgingsstaat, is de arbeidsparticipatie van de niet-westerse immigranten relatief hoog. En in de meest ontwikkelde verzorgingsstaat, Zweden, is deze zeer laag. In een lager ontwikkelde verzorgingsstaat gaan de immigranten dus kennelijk eerder aan het werk. Maar er zijn ook tegenvoorbeelden. Landen met een hoger ontwikkelde verzorgingsstaat, zoals Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland, blijken namelijk weer een hogere arbeidsparticipatie te hebben dan Groot-Brittannië.

Niet de hoogte van de verzorgingsstaat is namelijk doorslaggevend, maar de kwestie of er een verplichtend assimilatiebeleid is, of een multicultureel beleid.

Er is namelijk een ander, belangrijk verschil tussen Groot-Brittannië en de genoemde andere Europese landen. Groot-Brittannië heeft een multicultureel beleid. Waar er sprake is van multicultureel beleid verloopt de integratie slecht. Slecht verloopt de integratie dan ook in Nederland, Vlaanderen en Zweden. In Zweden is de verzorgingsstaat hoger ontwikkeld dan in Nederland en Vlaanderen, maar qua integratie gaat het even slecht. Het niveau van de verzorgingsstaat verklaart ook niet dat de arbeidsproductiviteit in Wallonië hoger is dan in Vlaanderen. In Vlaanderen is de verzorgingsstaat net zo hoog ontwikkeld als in Wallonië. Maar in Wallonië is er wel minder multicultureel beleid.

Kortom: de integratie gaat sneller bij  assimilatiebeleid dan bij multicultureel beleid.

De socioloog Jaap Dronkers deed ook een vergelijkend Europees onderzoek om het integratieproces te meten. Anders dan Koopmans concludeert Dronkers dat de invloed van het verschillende integratiebeleid niet groot kan zijn. Volgens Dronkers komen de verschillen vooral door de organisatie van de ontslagbescherming. (13) Naarmate een werknemer door de wettelijke regelingen moeilijker te ontslaan valt, zijn de werkgevers ook minder geneigd om een allochtoon aan te nemen. In Europese landen met een goede ontslagbescherming komen de allochtonen minder goed aan het werk. Maar belangrijker is volgens Dronkers het land van herkomst:  ‘Het herkomsteffect overspoelt het bestemmingseffect, want het eerste heeft veel meer effect dan het tweede.’ Dronkers stelt vast: immigranten uit de oude EU-landen zijn minder vaak werkloos dan die uit Oost-Europa, Azië en de vroegere koloniën. En dat kan alleen maar door de herkomst verklaard worden. (14)

Ook hier blijkt dus weer, om met Borjas te spreken: etniciteit is sticky. Maar veel immigratiedeskundigen willen daar niet aan. Zo zegt hoogleraar integratie- en migratiestudies Han Entzinger nog in 2011 in een interview: ‘Etniciteit is geen aanwijzing meer voor achterstand.’ (15) Hij onderbouwt dat niet.

En dan nog een opmerking: het is misschien wel helemaal de vraag of integratie economisch gezien wel zo gewenst is. Want door geslaagde integratie verdwijnt juist het economisch voordeel. Dat mag vreemd klinken, maar het ligt eigenlijk voor de hand. Hoogleraar Joop Hartog: ‘Het eventuele voordeel van immigratie zit juist in de ongelijkheid. Je moet immigranten binnenhalen die afwijken van het bestaande patroon. Maar als je die immigranten dan vervolgens gaat opvoeden, en je maakt er een soort Nederlanders van, dan verdwijnt het aanvankelijke voordeel. Je hebt er pas iets aan als ze anders zijn. Dus als we ongeschoolden tekortkomen, moeten we ongeschoolden binnenhalen en als we talent tekort hebben, moeten we talent binnenhalen. Maar als je vervolgens zegt: Ik maak van die ongeschoolden gemiddelde Nederlanders, dan heb je weer geen ongeschoolden.’ (16)

We voeren integratiebeleid dat averechts werkt. We erkennen niet dat etniciteit de doorslaggevende factor is. Zo hoeven we niet verbaasd te zijn als de integratie zich zeer traag voltrekt. Ondertussen hebben velen overspannen verwachtingen van de integratie. Marcel van Dam schreef bijvoorbeeld in 2012 in zijn column in de Volkskrant: ‘Ook in Nederland is de disproportionele achterstand van allochtonen tijdelijk en wordt die snel ingelopen.’ (17) Blijf je met deze roze bril naar de werkelijkheid kijken, dan stapel je teleurstelling op teleurstelling. Realistischer is het als we beseffen dat de integratie van de niet-westerse allochtonen, generatie na generatie, heel traag zal plaatsvinden.

Noten

1 George J. Borjas, Heaven’s Door. Immigration Policy and The American Economy, Princeton University Press, 1999, pp. 136-142.

2 Ibid., p. 40.

3 Ibid., pp. 26-29.

4 Tijana Prokic & Jaap Dronkers, The Differences in Attitudes about their

Society between 14 years old Pupils with and without an Immigration Background; a Crossnational Comparison, MPRA Paper 21637, University Library of Munich, 2010.

5 Fenella Fleischmann & Jaap Dronkers, ‘De sociaaleconomische integratIe van immigranten in de EU. Een analyse van de effecten van bestemmings en herkomstlanden op de eerste en tweede generatie’, Sociologie, jrg. 4 ,2008.

6 Ibid., p. 32.

7 Ibid., p. 33.

8 Tweede Kamer der Staten Generaal, Onderzoek Integratiebeleid, Openbare gesprekken en hoorzittingen, Sdu Uitgevers, 2004, p. 149: ‘Het aandeel van allochtonen in de gevangenispopulatie is in Nederland veruit het hoogste van alle West-Europese immigratielanden.’

9 Ruud Koopmans, ‘Zachte heelmeesters… Een vergelijking van de resultaten van het Nederlandse en Duitse integratiebeleid en wat de WRR daaruit niet concludeert’, Migrantenstudies, jrg. 18, nr. 2, 2002.

10 Ibid., p. 88.

11 Jaco Dagevos, Ruimtelijke concentratie van niet-westerse migranten: achtergronden, gevolgen en aangrijpingspunten voor het beleid, SCP, 2009, p.

9: ‘Concentraties van niet-westerse migranten verdiepen en verbreden zich. Tussen 1998 en 2008 is het aandeel gemeenten met meer dan 10% niet-westerse migranten verdubbeld (van 6% naar 13%), terwijl het aandeel gemeenten met tussen de 0% en 5% niet-westerse migranten tussen 1998 en 2008 aanzienlijk is afgenomen (van 79% naar 67%).’

12 Ruud Koopmans, ‘Tradeoffs between Equality and Difference Immigrant Integration, Multiculturalism, and the Welfare State in Cross-National Perspective’, Journal of Ethnic and Migration Studies, jrg. 36, nr. 1, 2010.

13 Fenella Fleischmann en Jaap Dronkers, ‘De sociaaleconomische integratie van immigranten in de EU. Een analyse van de effecten van bestemmingsen herkomstlanden op de eerste en tweede generatie’, Sociologie, jrg. 4, 2008.

14 Ibid., p. 27.

15 Jelle van der Meer en Marcel Ham, ‘Het einde van het integratiebeleid. Wetenschappers en denkers in debat over maatschappelijke kwesties’, website Sociale Vraagstukken, 23 december 2011.

16 Dit punt wordt ook gemaakt door Borjas, in: George J. Borjas, p. 32.

17 Marcel van Dam, ‘Mensen laten barsten is ook een principe’, de Volkskrant, 16 februari 2012.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen